maart 15, 2024

De hogere prijs van een ‘Made in Belgium’ trui is geen marketing, maar een directe weerspiegeling van niet-onderhandelbare Belgische loonkosten en sociale bescherming.

  • Een aanzienlijk deel van de prijs dekt de Belgische sociale lasten (RSZ), wat eerlijke lonen en sociale zekerheid garandeert.
  • Lokale productie heeft een drastisch lagere CO2-voetafdruk door kortere transportroutes, wat een ‘verborgen’ ecologische kost vermijdt.
  • De waarde op lange termijn van een kwalitatieve, lokale trui is vaak hoger door een lagere ‘kost per dracht’ dan meerdere goedkope alternatieven.

Aanbeveling: Focus niet op de aankoopprijs, maar op de ‘kost per dracht’ en de transparantie van het merk om een geïnformeerde keuze te maken.

U staat in een Belgische boetiek en houdt een prachtig gebreide wollen trui vast. Het vakmanschap straalt ervan af. Dan ziet u het prijskaartje en deelt u een collectieve zucht met vele andere consumenten: waarom is dit kledingstuk zo aanzienlijk duurder dan de trui die u vorige week in een grote modeketen zag? Het antwoord lijkt voor de hand liggend: “het is lokaal gemaakt”, “de kwaliteit is beter”, “de lonen zijn hoger”. Dit zijn de platitudes die we allemaal kennen, maar ze schrapen slechts aan de oppervlakte. Ze verklaren niet de concrete, cijfermatige realiteit achter die prijs.

Als productiemanager in de textielsector nodig ik u uit in de machinekamer van de Belgische modeproductie. We gaan verder dan de algemeenheden en openen de boekhouding. De prijs van een lokaal kledingstuk is geen arbitrair getal; het is de logische optelsom van concrete, wettelijk vastgelegde kosten die fast fashion systematisch omzeilt of uitbesteedt aan landen zonder sociaal vangnet. Dit artikel ontleedt de economische realiteit van ‘Made in Belgium’ en toont aan waarom de ‘dure’ trui in werkelijkheid een eerlijk geprijsd product is.

We zullen de impact van Belgische sociale lasten becijferen, de logistieke CO2-besparing kwantificeren en de ware betekenis van labels ontrafelen. U zult ontdekken dat uw aankoop niet alleen een kledingstuk is, maar een directe investering in lokaal talent, duurzaamheid en een eerlijk economisch systeem. Laten we de cijfers voor zich spreken.

Hoe onderscheid je het ‘Handmade in Belgium’ (HIB) label van marketingtrucs?

In een zee van vage termen als ‘artisanaal’ en ‘met liefde gemaakt’, biedt het officiële ‘Handmade in Belgium’ (HIB) label, uitgereikt door UNIZO, een concrete garantie. Dit is geen marketingtruc, maar een erkenning die aan strikte voorwaarden is verbonden. Een product mag dit label enkel dragen als de maker een onderneming is met maximaal 25 voltijdse werknemers en het product voor minstens 50% door handwerk tot stand komt. Dit criterium zorgt ervoor dat het label voorbehouden is voor authentieke ambachtslieden en kleinschalige producenten, en niet gekaapt kan worden door grote industriële spelers.

Het HIB-label garandeert dus dat een aanzienlijk deel van het productieproces manuele vaardigheid en expertise vereist. Dit staat in schril contrast met massaproductie, waar efficiëntie en automatisering primeren boven individueel vakmanschap. Het kopen van een product met een HIB-label betekent dat je investeert in de tijd, de vaardigheid en de creativiteit van een Belgische maker. Het is een keurmerk dat de menselijke maat van productie erkent en viert. Zoals een HIB-labelhouder het verwoordt, geeft dit een duidelijke meerwaarde. Els van Awardt, een UNIZO HIB-labelhouder, bevestigt dit:

Ik vind dat wel echt een meerwaarde zo’n label, want er worden bepaalde eisen gesteld en niet iedereen kan dus nog zomaar claimen dat ze aan Handmade in Belgium doen.

– Els van Awardt, UNIZO HIB-labelhouder

Het label is dus een eerste, betrouwbare filter om echte Belgische ambacht te onderscheiden van slimme marketing. Het vertelt je dat achter het product geen anonieme productielijn schuilt, maar een maker die met zijn of haar handen werkt en wiens expertise de kern van het product vormt.

De impact van Belgische sociale lasten op de eindprijs van je kledingstuk

De belangrijkste factor die de prijs van een Belgisch kledingstuk opdrijft, is ongetwijfeld de loonkost. Maar het gaat niet enkel om het brutoloon van de naaister of de ontwerper. Het zijn vooral de Belgische sociale lasten (RSZ-bijdragen) die een fundamenteel verschil maken. In de praktijk betaalt een werkgever in de profitsector bovenop het brutoloon nog eens een patronale bijdrage van ongeveer 25% aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Deze bijdragen financieren ons systeem van pensioenen, ziekteverzekering en werkloosheidsuitkeringen. Het is de prijs die we collectief betalen voor een sterk sociaal vangnet.

Visualisatie van de verdeling van loonkosten in België

Deze structuur staat in schril contrast met de situatie in veel lageloonlanden waar fast fashion-merken produceren. Daar zijn de werkgeversbijdragen vaak minimaal of zelfs onbestaande, en is er nauwelijks sprake van sociale bescherming voor de werknemers. De lage prijs van een fast fashion-item wordt dus mede mogelijk gemaakt door het externaliseren van deze sociale kosten. De vergelijking hieronder maakt dit pijnlijk duidelijk.

De onderstaande tabel toont de fundamentele verschillen in de opbouw van loonkosten tussen België en een typisch lageloonland, gebaseerd op data over loonbeleid.

Vergelijking loonkosten België vs. lageloonlanden
Component België Lageloonlanden
RSZ-bijdragen werkgever 25-32,40% 0-10%
Werknemersbijdragen 13,07% Variabel
Sociale bescherming Pensioen, ziekteverzekering, werkloosheid Minimaal of afwezig

De rekening is dus simpel: een trui die in België wordt gemaakt, draagt onvermijdelijk de kost van onze sociale zekerheid in zich. Het is geen optie, maar een wettelijke verplichting. Die ‘hogere’ prijs is dus in essentie een eerlijke prijs die een rechtvaardig loon en sociale bescherming voor de maker garandeert.

Vliegtuig of boot: waarom lokaal kopen 60% CO2 bespaart op transport

Naast de loonkost is er een tweede, vaak onderschatte factor: de logistiek. De reis die een kledingstuk aflegt van atelier naar kleerkast heeft een aanzienlijke ecologische en economische impact. De fast fashion-industrie, die jaarlijks meer dan 80 miljard nieuwe kledingstukken produceert, is gebouwd op een wereldwijd netwerk van productie en distributie. Een T-shirt kan ontworpen zijn in Europa, gemaakt van katoen uit India, genaaid in Bangladesh en vervolgens verscheept naar een distributiecentrum in België om uiteindelijk in uw winkelmand te belanden.

Dit complexe logistieke web heeft een enorme CO2-voetafdruk. De keuze voor lokaal kopen snijdt drastisch in deze ‘verborgen’ milieukost. Een lokaal geproduceerde trui legt een fractie van de afstand af. De vergelijking tussen de transportketen van een lokaal product en die van een fast fashion-item is frappant:

  • Lokaal transport in België: Het traject is vaak beperkt tot de afstand tussen het atelier en de klant, meestal binnen een straal van 200 km, vaak afgehandeld door diensten als Bpost.
  • Containerschip vanuit Azië: Een standaardzeereis van een productieland als China naar de haven van Antwerpen beslaat al snel 20.000 kilometer.
  • Luchtvracht voor fast fashion: Voor de snelste levering van de nieuwste trends wordt vaak luchtvracht gebruikt, de meest vervuilende transportmodus per kilogram textiel.
  • ‘Last mile’ distributie: De finale levering door internationale koeriersdiensten voegt een extra laag van complexiteit en uitstoot toe aan de wereldwijde keten.

Hoewel de exacte CO2-besparing afhangt van vele factoren, is het duidelijk dat de radicale verkorting van de toeleveringsketen een significant positief effect heeft. Door lokaal te kopen, elimineer je de noodzaak voor intercontinentale zee- en luchtvracht, wat de transportgerelateerde CO2-uitstoot met percentages tot wel 60% kan verminderen. De prijs die je betaalt, reflecteert een productieproces dat de planeet aanzienlijk minder belast.

Het risico van ‘Made in Europe’ labels die eigenlijk in Azië zijn geproduceerd

Het label ‘Made in Europe’ klinkt geruststellend en suggereert eerlijke arbeidsomstandigheden en hoge kwaliteitsnormen. Helaas kan dit label misleidend zijn en een praktijk genaamd ‘herkomstverhulling’ maskeren. De Europese regelgeving stelt dat een product het ‘Made in…’ label mag dragen van het land waar de “laatste substantiële, economisch gerechtvaardigde be- of verwerking” heeft plaatsgevonden. In de praktijk betekent dit dat een kledingstuk grotendeels in Azië kan worden vervaardigd, waarna in Europa enkel nog de knopen worden aangezet, een rits wordt ingenaaid of het finale label wordt bevestigd. Omdat deze laatste stap als ‘substantieel’ kan worden beschouwd, mag het kledingstuk legaal het ‘Made in Europe’ label dragen.

Deze maas in de wet wordt door sommige merken gebruikt om een imago van Europese kwaliteit te creëren, terwijl de bulk van het werk onder heel andere omstandigheden in lageloonlanden is verricht. Dit ondermijnt niet alleen het vertrouwen van de consument, maar creëert ook oneerlijke concurrentie voor merken die wél hun volledige productieketen in Europa houden. De transparantie van de productieketen wordt hierdoor cruciaal.

Echte duurzame en lokale merken zijn trots op hun productieproces en zullen dit niet verbergen. Ze communiceren openlijk over waar hun grondstoffen vandaan komen, waar de stoffen worden geweven en waar de kleding wordt geconfectioneerd. Een verdacht lage prijs voor een ‘Made in Europe’ product is vaak de eerste rode vlag. Gezien de Europese loonkosten is het simpelweg onmogelijk om een T-shirt winstgevend te produceren en te verkopen voor 5 euro als het volledig in Europa is gemaakt. Wees dus kritisch en kijk verder dan het label op het kledingstuk zelf.

Wanneer helpt jouw aankoop een startende maker om te overleven?

Wanneer je een kledingstuk koopt van een kleine, onafhankelijke Belgische ontwerper, doe je veel meer dan enkel je garderobe aanvullen. Je aankoop is een directe en vitale bijdrage aan het voortbestaan van lokaal vakmanschap. Voor een startende maker of een klein atelier is elke verkoop een concrete stap richting economische leefbaarheid. In tegenstelling tot grote ketens, waar de winst wordt verdeeld over aandeelhouders en complexe managementstructuren, vloeit de opbrengst van een lokale aankoop rechtstreeks terug naar de maker en de lokale economie.

Dit geld stelt hen in staat om te investeren in kwalitatieve materialen, hun atelier te onderhouden en, belangrijker nog, hun ambacht verder te ontwikkelen. Het is een stem voor een ander soort economie: een die gebaseerd is op menselijke schaal, creativiteit en duurzaamheid. Merken zoals het Belgische Lucid Collective proberen te bewijzen dat mode kan bestaan zonder de ethische en ecologische compromissen die zo vaak met de industrie geassocieerd worden. Hun missie is om kwaliteitskleding toegankelijk te maken zonder hun waarden te verloochenen.

Close-up van handwerk in een Belgisch mode-atelier

Jouw keuze voor een lokaal product is dus een krachtig statement. Het is de erkenning dat vakmanschap een eerlijke prijs verdient en dat we als consument de macht hebben om een economisch model te ondersteunen dat talent koestert in plaats van uitbuit. Elke ‘dure’ trui die je koopt, is een stukje zuurstof voor een ecosysteem van creatieve ondernemers die de ruggengraat vormen van onze lokale maakindustrie.

5 goedkope truien of 1 dure van wol: wat is na 2 jaar goedkoper?

De initiële aankoopprijs is slechts één kant van het verhaal. Om de ware kost van een kledingstuk te bepalen, moeten we een cruciale factor introduceren: de ‘kost per dracht’. Dit is een eenvoudige berekening: deel de aankoopprijs door het aantal keren dat je het kledingstuk draagt. Een fast fashion-trui van €20 die na 10 wasbeurten zijn vorm verliest, heeft een kost per dracht van €2. Een kwalitatieve, lokaal geproduceerde wollen trui van €150 die je, mits goed onderhoud, minstens 100 keer draagt over meerdere jaren, heeft een kost per dracht van slechts €1,50. Op lange termijn is de ‘dure’ trui dus goedkoper.

Deze mentaliteitswijziging – van denken in aankoopprijs naar denken in waarde en levensduur – is fundamenteel voor duurzame consumptie. Kwalitatieve materialen zoals wol hebben van nature een langere levensduur en betere prestaties dan de goedkope synthetische mengsels die dominant zijn in fast fashion. Ze behouden hun vorm, reguleren de temperatuur beter en hebben vaak minder wasbeurten nodig. Dit alles draagt bij aan een lagere kost per dracht en een kleinere ecologische voetafdruk.

Investeren in een lokaal gemaakt stuk is dus niet alleen een ethische, maar ook een economisch slimme keuze. Het vereist wel een engagement van de consument: de bereidheid om het kledingstuk te koesteren en correct te onderhouden. Goed onderhoud is de sleutel tot het maximaliseren van de levensduur en dus het verlagen van de kost per dracht.

Plan van aanpak: Onderhoudsplan voor je wollen kledingstuk

  1. Was wol maximaal op 30°C in een wolwasprogramma of kies voor een voorzichtige handwas om de vezels te beschermen.
  2. Gebruik een specifiek wolwasmiddel zonder enzymen; reguliere wasmiddelen kunnen de natuurlijke vetlaag (lanoline) van wol aantasten.
  3. Droog een wollen kledingstuk altijd liggend op een handdoek uit de buurt van direct zonlicht of hitte; hangen kan de vorm uitrekken en een droogtrommel veroorzaakt krimp.
  4. Bewaar je wollen items met natuurlijke mottenwerende middelen zoals zakjes lavendel of blokjes cederhout in je kast.
  5. Verwijder pilling (kleine bolletjes) voorzichtig met een speciale wollenkam of een ontpiller om het kledingstuk er als nieuw uit te laten zien.

Wat betekent de nieuwe Europese producentenverantwoordelijkheid voor Belgische merken?

De mode-industrie staat aan de vooravond van een grote verandering. Geconfronteerd met een jaarlijkse berg van 92 miljoen ton textielafval, heeft de Europese Unie besloten in te grijpen. De nieuwe strategie voor duurzaam en circulair textiel introduceert het principe van Uitgebreide Producentenverantwoordelijkheid (UPV). Concreet betekent dit dat producenten en merken verantwoordelijk zullen worden voor de volledige levenscyclus van hun producten, inclusief de afvalfase. Ze zullen moeten bijdragen aan de kosten voor inzameling, sortering en recyclage van textiel.

Voor fast fashion-giganten, wiens bedrijfsmodel gebaseerd is op het produceren van grote volumes kleding met een korte levensduur, zal dit een financiële aardverschuiving betekenen. De ‘verborgen’ kost van afvalverwerking, die nu door de maatschappij wordt gedragen, zal geïnternaliseerd moeten worden in hun productprijzen. Dit zal het speelveld gelijker maken voor lokale, duurzame merken. Belgische merken die nu al inzetten op kwaliteit, duurzaamheid en een lange levensduur, hebben een strategische voorsprong. Hun producten zijn ontworpen om lang mee te gaan, niet om na enkele keren dragen weggegooid te worden. Ze zijn dus inherent beter afgestemd op een circulaire economie.

Initiatieven zoals de werkagenda voor de maakindustrie binnen Vlaanderen Circulair en het Europese programma ECOSYSTEX leggen de fundamenten voor deze transitie. Deze nieuwe wetgeving zal transparantie afdwingen en ‘greenwashing’ bemoeilijken. Merken zullen niet langer kunnen wegkomen met vage beloftes. Ze zullen moeten bewijzen dat hun producten ontworpen zijn met het einde van de levenscyclus in gedachten. Voor de consument is dit goed nieuws: het zal makkelijker worden om merken te identificeren die echt duurzaam zijn, omdat de niet-duurzame opties simpelweg duurder zullen worden.

Om te onthouden

  • De prijs van een Belgisch kledingstuk is grotendeels bepaald door eerlijke, wettelijk verplichte sociale lasten, niet door willekeurige marges.
  • Echte lokale productie herken je aan transparantie over de hele keten, niet aan vage ‘Made in Europe’ labels die productie in Azië kunnen verhullen.
  • De slimste economische keuze is niet de laagste aankoopprijs, maar de laagste ‘kost per dracht’, wat kwalitatieve, duurzame kleding bevoordeelt.

Hoe herken je écht duurzame Belgische mode tussen alle greenwashing marketing?

In een markt waar ‘duurzaam’ en ‘eco’ modewoorden zijn geworden, is het als consument een uitdaging om het kaf van het koren te scheiden. ‘Greenwashing’ – de praktijk waarbij een bedrijf zich groener of socialer voordoet dan het in werkelijkheid is – is alomtegenwoordig. Een merk dat één T-shirt van biologisch katoen in zijn collectie heeft, kan zichzelf al profileren als ‘duurzaam’, terwijl de rest van de productie onethisch blijft. De sleutel tot het doorprikken van deze marketingmist is kritisch kijken en vragen stellen. Echte duurzaamheid schuilt in transparantie en concrete bewijzen, niet in vage claims.

Een merk dat werkelijk lokaal en duurzaam produceert, is hier trots op en zal er open over communiceren. Wees op je hoede voor algemene termen als ‘milieuvriendelijk’ of ‘conscious’. Zoek naar specificaties: welk certificaat heeft de stof (bv. GOTS, Oeko-Tex)? Waar bevindt het atelier zich? Toont het merk foto’s van de echte productieruimte en de mensen die er werken? Een betrouwbaar merk deelt deze informatie proactief. De volgende checklist kan helpen om een snelle inschatting te maken:

  • Toont het merk foto’s of video’s van hun echte atelier in België?
  • Zijn gebruikte termen specifiek (bv. ‘GOTS-gecertificeerd biokatoen’) of vaag (‘milieuvriendelijk’)?
  • Is er een transparantierapport beschikbaar op hun website?
  • Wordt de volledige toeleveringsketen, van grondstof tot eindproduct, gedocumenteerd?
  • Zijn de prijzen realistisch voor een productieproces met Europese loonkosten?

Uiteindelijk gaat het om het herontdekken van de waarde van kleding. Zoals Jasmien Wynants, experte duurzame mode bij MVO Vlaanderen, het mooi verwoordt, moeten we onze kleren opnieuw leren koesteren. Een bewuste aankoop is de eerste stap.

Koester je kleren. We zijn dat gevoel wat kwijt geraakt, maar wie had als kind geen favoriete jas, trui of schoenen? Misschien iets waar je lang voor gespaard had.

– Jasmien Wynants, Experte duurzame mode, MVO Vlaanderen

De volgende stap is aan u. Door bewust te kiezen voor transparante, lokaal geproduceerde mode, investeert u niet alleen in een kledingstuk, maar in een eerlijker en duurzamer economisch model. Wees kritisch, stel vragen en kies voor waarde boven volume.

Veelgestelde vragen over De economische realiteit van ‘Made in Belgium’

Wat betekent ‘laatste substantiële bewerking’ voor Made in Europe?

Als het eindproduct voor meer dan 50% van zijn waarde in Europa wordt bewerkt, mag het een Europees label krijgen, zelfs als de grondstoffen en eerste productiestappen elders gebeurden. Dit kan misleidend zijn, omdat bijvoorbeeld het aannaaien van knopen al als ‘substantieel’ kan tellen.

Hoe herken ik echte lokale productie?

Zoek naar radicale transparantie over de hele keten: waar komen de grondstoffen vandaan, waar wordt het garen gesponnen, waar wordt de stof geweven en waar wordt het kledingstuk genaaid? Echte lokale merken delen deze informatie graag via hun website of sociale media, vaak met foto’s van hun eigen atelier.

Waarom zijn te lage prijzen een waarschuwingssignaal?

Europese, en zeker Belgische, loonkosten en sociale lasten maken het economisch onmogelijk om een T-shirt winstgevend voor €5-10 te produceren en verkopen. Zulke prijzen wijzen bijna altijd op productie in lageloonlanden met minimale sociale bescherming en lonen die ver onder een leefbaar niveau liggen.

Isabelle Dupont, Expert in de kunstmarkt, mode en luxe-investeringen. Ze adviseert over waardebehoud, authenticiteit en materialenkennis binnen het hogere segment, van diamanten tot vintage mode.